voorzetsels klas 3
mogelijkheden: à - de - en - sur - chez - avant - pour - devant - avec - derrière

voor:
Ik heb iets voor jou
J'ai quelque chose toi

met:
Ik ga met vakentie met mijn vrienden
Je pars vacances mes copains

voor:
Hij is vóór 8 uur aangekomen
Il est arrivé 8 heures

op
Er is een film op de TV
Il y a un film la télé

bij
Zij woont bij haar vader
Elle habite son père

voor
De auto staat voor het huis
La voiture est la maison

op
Het boek ligt op de tafel
Le livre est la table

achter
Mijn fiets staat achter het huis
Mon vélo est la maison

aan
Ik geef het aan mijn moeder
Je le donne ma mère