in/naar + stad/land

Ik ga naar Parijs
Je vais Paris

Hij woont in Japan
Il habite Japon

Zij werkt in Brazilië
Elle travaille Brésil

Hij is in Rome
Il est Rome

Wij gaan naar China
Nous allons Chine

Ga jij naar Londen
Tu vas Londres ?

Hij werkt in Argentinië
Il travaille Argentine

Gaat u naar Portugal ?
Vous allez Portugal ?

Ik woon in Nederland
J'habite Pays-Bas

Zij is in Amsterdam
Elle est Amsterdam

Zij gaan naar de V.S.
Ils vont Etats-Unis

Wonen zij in Duitsland ?
Ils habitent Allemagne ?

Ik ga naar Engeland
Je vais Angleterre

Is zij in Denemarken ?
Elle est Danemark ?

ik ga naar Barcelona
Je vais Barcelone